Statistieken

Statistieken over samengestelde gezinnen (2007)

Volgens het CBS is sinds 1998 het aantal samengestelde gezinnen oftewel stiefgezinnen in Nederland met bijna 35 duizend toegenomen, tot 149 duizend in 2007. Het aantal eenoudergezinnen is in die periode gestegen tot 459 duizend, terwijl het aantal ‘traditionele’ twee-oudergezinnen juist daalde tot 1,9 miljoen. Van alle Nederlandse stellen met kinderen vormde 7 procent een stiefgezin in 2007. Deze stiefgezinnen telden 282 duizend kinderen.
In ruim 80 procent van de stiefgezinnen komen alle stiefkinderen uit een eerdere relatie van de moeder. In bijna 15 procent van de stiefgezinnen zijn alle stiefkinderen afkomstig uit een eerdere relatie van de vader. In nog geen 5 procent van de stiefgezinnen komen kinderen voor uit eerdere relaties van de vader en de moeder.
Overigens hebben in ongeveer een derde van alle stiefgezinnen de ouders ook gezamenlijke kinderen.

Aantal gezinnen op 1 januari 1998 en 2007

Meer cijfers en details met betrekking tot het aantal stiefgezinnen is te vinden in het CBS rapport “Schatting van het aantal stiefgezinnen” door Liesbeth Steenhof. Geïnteresseerd? Download dit rapport hieronder.

PDF-download-icon
De ervaring van kinderen met stiefouders (2007)

Jaarlijks maken in Nederland tussen de 50 en 60 duizend kinderen een scheiding van hun ouders mee.Ruim 40 procent van hen krijgt te maken met een stiefouder. Omdat de meeste kinderen bij de moeder blijven wonen, is er vaak sprake van een stiefvader. Kinderen die opgroeien met een stiefmoeder krijgen vaker te maken met stiefbroers of stiefzussen dan kinderen die opgroeien met een stiefvader. De thuissituatie bij een stiefmoeder wordt negatiever ervaren dan die bij een stiefvader.

Arie de Graaf

PDF-download-icon
Niet voor alle vaders is het vaderdag

De meeste kinderen groeien op bij twee ouders. Een op de zeven kinderen maakt echter een scheiding van de ouders mee. Na een scheiding verslechtert het contact tussen kind en vader.

Kinderen en gezinssituatie

Een op de vijf minder goed contact met vader

In 2007 woonden 3,6 miljoen kinderen bij hun vader en moeder. Dit is bijna 80 procent van alle thuiswonende kinderen. Niet alle mensen geboren in de periode 1970-1979 en opgegroeid in een tweeoudergezin hadden een goed contact met hun vader: 4 procent noemde het contact met de vader slecht. De meeste kinderen (80 procent) hadden wel een goed contact met de vader.

Contact met vader verslechtert

Twee op de tien kinderen van wie de ouders zijn gescheiden, hadden in het eerste jaar na de scheiding geen contact meer met hun vader. Nog eens 20 procent had een slecht contact met hun vader. Het contact met de moeder was veel beter. Het merendeel van de kinderen (80 procent) die een scheiding hebben meegemaakt, is ook bij de moeder blijven wonen. In 2007 woonden bijna 300 duizend kinderen bij een gescheiden alleenstaande moeder.

Ouders gescheiden: contact kind met vader

Een op de drie slecht contact met stiefvader

Ongeveer de helft van de kinderen die na de scheiding bij de moeder bleven wonen, kreeg te maken met een stiefvader. Gemiddeld waren de kinderen dan 12 jaar oud. De helft van de kinderen beoordeelde het contact met de stiefvader als goed, een derde had een slecht contact. Het totale aantal kinderen in stiefgezinnen bedroeg bijna 282 duizend in 2007.

Arie de Graaf

Bron: Een terugblik op het ouderlijk gezin:

PDF-download-icon
Kinderen met stiefouder scoren lager op de Cito-toets

Volgens het CBS hadden in 2011 kinderen in groep acht van de basisschool gemiddeld een Cito-score van 536. Meisjes en jongens uit gezinnen met hogere inkomens scoorden hoger dan gemiddeld. Kinderen die wonen in een gezin met een stiefouder haalden in elke inkomensgroep een lagere score.

Gemiddelde Cito-score van kinderen naar inkomensgroep huishouden, 2011

Hoe hoger het huishoudinkomen, hoe hoger de Cito-score
Er is een sterk verband tussen de Cito-score van kinderen en het inkomen van het gezin waarin ze wonen. Kinderen uit gezinnen in de hoogste inkomensgroep scoorden gemiddeld bijna 7 punten hoger dan die in de laagste inkomensgroep.

Hiervoor zijn verschillende verklaringen. Zo hebben ouders met een hoog inkomen vaak een hoge opleiding. Kinderen van hoogopgeleide ouders gaan vaak ook een hogere opleiding volgen en presteren op jonge leeftijd al beter op school. Ook kunnen gezinnen met een hoger inkomen meer geld besteden aan boeken, een eigen kamer en computer voor het kind en eventueel huiswerkbegeleiding, wat een positieve invloed kan hebben op de schoolprestaties.

Gemiddelde Cito-score van kinderen naar gezinssituatie, 2011

Kinderen van gescheiden ouders scoren lager op Cito-toets
Er is ook een verband tussen de Cito-score en de gezinssituatie van de basisschoolkinderen. Kinderen van gescheiden ouders scoorden ruim 2 punten lager op de Cito-toets dan kinderen uit intacte gezinnen. Kinderen die bij hun alleenstaande vader woonden waren een uitzondering: zij deden het gemiddeld beter dan kinderen in de overige gezinnen van gescheiden ouders.

De lagere Cito-score van kinderen uit eenoudergezinnen wordt niet zozeer veroorzaakt door de gezinssituatie zelf, maar hangt samen met het lagere inkomen. Eenoudergezinnen hebben gemiddeld minder inkomen dan tweeoudergezinnen. Per inkomensgroep was de Cito-score van kinderen uit eenoudergezinnen vrijwel even hoog als die van kinderen uit gezinnen met twee ouders.

Gemiddelde Cito-score van kinderen uit de hoogste inkomensgroep, 2011

Kinderen met stiefouder halen lagere Cito-score, ook bij hoger inkomen
In tegenstelling tot de lagere Cito-score van kinderen uit eenoudergezinnen, kan de lagere score van kinderen uit gezinnen met een stiefouder niet verklaard worden door inkomensverschillen. In elke inkomensgroep hadden zij gemiddeld een lagere score dan kinderen uit intacte gezinnen. Stiefgezinnen komen relatief weinig voor: drie op de tien kinderen van gescheiden ouders woonde in een gezin met een stiefouder.

Marjolijn Das en Annelie Hakkenes